“Ik maak me nergens zorgen over,” zei ze.
“Nee, ik wil niet over het verleden praten.
Dat heb ik al jaren gedaan.”
Het is één van de eerste zinnen die ze uitspreekt.
Ze is op zoek naar hulp voor een klacht die maar niet weggaat.
“Ik maak me nergens zorgen over,” zegt ze.
En toch vertelt haar verhaal iets anders.
Zorgen om een kind.
Een partner die langzaam verdwijnt.
Situaties waarin je aan de zijlijn staat, machteloos.
Ze heeft al veel geprobeerd.
Soms helpt het even.
Wat echt raakt, zegt ze, is zingen.
Dan kan ze huilen.
Dan zakt de spanning.
Terwijl ze praat, voel ik haar pijn.
Haar onmacht.
Haar verwarring.
En vooral haar verlangen naar zachtheid en liefdevolle aandacht.
Ik zeg weinig.
Dit gaat niet alleen over nu.
Dit is een oud verhaal dat naar boven komt.
Hoe overleef ik als ik het niet meer begrijp?
Hoe houd ik controle wanneer het leven te groot voelt?
Niet vanuit wie ze nu is,
maar vanuit een jong deel in haar: een kind dat ooit heeft geleerd om sterk te zijn, door voelen zo min mogelijk toe te laten.
Ik benoem voorzichtig dat haar hart vol is.
van liefde.
En ook van pijn en verdriet.
“Ja,” zegt ze zacht.
En meteen neemt haar hoofd het weer over.
De deur gaat dicht.
Wat ik zie, is iemand die veiligheid nodig heeft.
Liefdevolle aandacht.
En tijd.
Tijd om langzaam te durven openen.
Tijd om verlies toe te laten.
Tijd om toe te laten hoe ingewikkeld het is om machteloos te zijn tegenover het verdriet van de mensen van wie je houdt.
Dat is wat ik doe in mijn werk.
Ik geef je ruimte.
Ik loop mee.
Ik begeleid je, geef richting en inzichten,
maar jij mag in jouw tempo weer leren voelen.
En leren vertrouwen.
Ik zeg haar dat alles eruit mag.
Dat ze mij mag gebruiken als uitlaatklep.
Dat we samen mogen onderzoeken wat het lichaam misschien al zo lang probeert te ontladen.
Je bent welkom.
Met grote en kleine vragen.
Altijd.
